Een pedagogische bezinning rond jeugdschaak.
Voordracht gehouden ter gelegenheid van de overhandiging van de wisseltrofee en de uitreiking
van de medailles van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur aan de laureaten
van het interscolair schaakkampioenschap 3e B.P.T.L. - juni 1975.
Tekst: Marcel Merchiers (+1991), licenciaat Germaanse talen en docent aan de hoge school te Hasselt.
Woord vooraf.
Al sinds jaren heeft in iedere school de vroegere eng benepen ‘gymnastiekles’
plaats moeten maken voor een ruim opgevatte sportbeoefening als onmisbaar element
in de opvoeding van jonge mensen. Inrichtende machten en schooldirecties hebben
royaal geld, tijd en bevoegde leraren voor sport en lichamelijke opvoeding ter
beschikking gesteld. Deze brochure wil nu ook laten zien dat het evenzeer
pedagogisch verantwoord is hetzelfde enthousiasme aan de dag te leggen voor
een denksport als het schaken. Zorgt de sport voor een gezond lichaam,
dan het schaken voor een gezonde geest: 'mens sana in corpore sano'.
Inleidende situering.
Het jeugdschaak is de laatste jaren bijzonder sterk in trek gekomen. Het schaakspel,
voordien een zondagse bezigheid voor intelligente bezadigde heren, heeft nu ook de jeugd
aangesproken en overal ziet men binnen de schaakclubs voor volwassenen jeugdkernen ontstaan.
Ook het onderwijs - vooral het secundair onderwijs - schijnt de laatste tijd niet ongevoelig
voor het schaakspel, zeker nu het begrip 'creativiteit' tot ons dagelijks taalgebruik is
gaan behoren. Maar het creatief schaakspel is nog lang niet ingeburgerd in het vormingsproces
van de jonge mensen, zoals b.v. in Nederland waar in het kader van het onderwijs schaaktheorie
wordt onderwezen. Deze korte schets die we aan jeugdschaak willen wijden, is de vrucht van enkele
jaren observatie in een jeugdschaakclub waar allerhande leeftijdsgroepen hun zaterdagnamiddag al
schakend doorbrengen.
Onze aandacht gaat niet naar de schaaktechnische problematiek zoals de theorie van de opening,
het middenspel en het eindspel en de daarmee gepaard gaande typische fouten van beginners. We
besteden evenmin aandacht aan ontwikkelings-psychologische vraagstukken als b.v. vordering in
het schaakspel in de verschillende ontwikkelingsfasen van de jonge mens; of aan correlaties
tussen wiskundig denken en schaken, tussen schoolrendement en schaakcarrière. Deze belangrijke,
deels opvoedkundige, deels psychologische problemen in verband met het schaakspel zouden een
aparte studie vergen.
Onze aandacht gaat naar de pedagogische aspecten van het schaakspel nl. denktraining, vorming
en bevordering van attitudes door het intensief beoefenen van het schaakspel.
1. Training van het denken.
1.1 Observeren en combineren.
Al van bij de eerste zetten - zo de opening althans niet slaafs 'uit het boekje' wordt
gespeeld - begint het creatieve schaakspel. Als statisch moment bekeken, bestaat creatief
schaken in de scherpe observatie van alle operationele elementen van eigen en tegenpartij,
op grond waarvan dan een combinatie of een strategie wordt opgebouwd. Maar het is onmiddellijk
duidelijk dat zo één moment geen reële voorstelling van zaken is, vermits een schaakpartij
normaal zo maar niet met slechts één combinatie wordt gewonnen, doch met een veelheid ervan.
Herhaaldelijk moet de hele operatie van observeren en combineren weer worden overgedaan,
zodat een reeks van alternatieve strategieën tot stand komt waaruit onder voorzichtig wikken
en wegen een keuze wordt gedaan. Een partij met b.v. 10 zetten in het openingsspel, 20 in het
middenspel en eventueel 20 in het eindspel is de uitdunning van een heel stel combinaties die
in moeizaam observeren, selecteren en combineren zijn tot stand gekomen.
Observeren en inventariseren, gegevens ordenen en structureren tot aanvals-, verdedigings- of
offercombinaties; vastgelopen combinaties herzien, corrigeren en herstructureren: het is
allemaal 'mental training’ van de beste kwaliteit voor de onderwijssituatie. Hierin doet
de leerling toch bestendig hetzelfde. Losse gegevens leert hij combineren tot vaste regels,
wetten, structuren en systemen. Daarna leert hij aanvullende, nieuwe elementen integreren,
zodat deze regels, wetten, structuren en systemen aangepast en geherstructureerd worden tot
genuanceerder, exacter en vollediger gehelen. Een ander hobby aanwijzen die zo harmonisch
in het verlengde ligt van de intellectvorming als het schaken zal moeilijk zijn.
1.2. Kritisch beoordelen.
Gewoonlijk wordt een partij samen met de partner overgespeeld. Daarbij is het opvallend hoe
zowel winnaar als verliezer de partij kritisch analyseren, en vaak de winnaar nog meer dan de
verliezer, waarbij de eerste er niet voor terugdeinst middelmatige zetten tot zwakke en
zwakke tot foutieve te degraderen.
Een jeugdige schaker die tot deze catharsis in staat is, bewijst zichzelf een ongewone
intellectuele dienst omdat hij zich daarmee van geestelijke blindheid en zelfgenoegzaamheid
bevrijdt, wel wetende dat winnen onder jeugdigen nog geen garant is voor een goede partij
zonder meer, doch nog al eens toe te schrijven is aan de onervarenheid van de partner, die
weldra zelf winnaar kan worden. Het vermogen om een gewonnen partij op haar reële waarde te
evalueren is een voortreffelijke oefening in het kritisch overzien van een geheel, waarin
men de minder geslaagde momenten heeft weten te onderkennen. Men distantieert zich aldus
welbewust van zichzelf: een van de moeilijkste dingen die een jonge mens op school te
leren heeft.
1.3. Analyseren en remediëren van fouten.
Een zeer vruchtbare oefening in intellectuele zelfevaluatie is het opsporen van fouten en de
correctie daarvan, bij verloren partij. Het is inderdaad niet altijd direct zichtbaar door
welke zet de partij werd verloren, maar nog veel moeilijker is het de remediërende strategie
te ontdekken die verlies in winst of tenminste in remise had kunnen doen omslaan.
Hiervoor moeten vaak vele alternatieve combinaties van eigen en tegenpartij uitgeprobeerd
worden en in de mate dat de tegenpartij knap heeft gespeeld vergt de remediërende tegenstrategie
veel denkkracht en schranderheid, zodat nu, eigelijk 'beter' gespeeld wordt dan tijdens de
partij zelf. Zo leert men op school van de verbetering van fouten vaak meer dan van de
eerste instudering van de stof. En in het leven is het niet anders. Fouten, indien ze
doorzien worden, zijn onze beste leermeesters.
1.4. Snel denken.
Schaken is een spel van veel tijd. Toeschouwers die van schaken niets afweten kunnen het
tergend traag verloop van een partij niet lang aanzien. Maar er is ook snelschaak waarbij
een partij b.v. binnen de 2 maal 5 minuten afgespeeld moet worden. Men zou dit wel als een
karikatuur van het schaken kunnen beschouwen, maar als snelheid van denken is snelschaak
helemaal niet karikaturaal.
Al is het op school geen regel dat onder hoge tijdsdruk snel moet gedacht en beslist worden
toch komt·het al een keer voor bij toetsen en examens, vooral bij deze die op mondelinge
taalvaardigheid zijn gericht. En in bepaalde beroepen is snelheid van denken en beslissen
vaak legio. Daarom is snelschaak geen vreemd of ontaard mentaal moment in het vormingsproces
van de jonge mens die door deze training op bijzondere situaties in school en leven wordt
voorbereid.
1.5. Inzichtelijk transfereren door studie van schaaktheorie en modelpartijen.
Een schaker kan vooruitgang boeken indien hij niet tot de studie van schaaktheorieën en de
analyse van modelpartijen bereid is. Jonge schakers zijn zich daar ook van bewust.
Daarom maken ze studie van openingen en hun talrijke varianten, van de specifieke wetten die
het midden- en eindspel beheersen, van uit de ervaring bekende valkuilen en succescombinaties
en van modelpartijen van grootmeesters.Al is het nu zo dat dergelijke studie voor een gedeelte
memorisering van wetten, systemen en combinaties betekent, toch is de inzichtsvorming er
niet geringer in. Systemen en combinaties van buiten leren dient immers tot niets, omdat
identieke of precies dezelfde situaties waarop ze van toepassing zouden kunnen zijn maar
hoogst zelden voorkomen. Veelvuldiger komen voor, analoge of gelijkaardige situaties en dan
komt het op het inzichtelijk transfereren aan, van wat men in het model gezien en verstaan
heeft. Welnu, dergelijke intellectuele arbeid is schering en inslag in elk studievak. Gegevens
opslaan, gegevens inzichtelijk verwerken en gegevens in nieuwe situaties oordeelkundig
toepassen is de drieslag van elk waarachtig leren.
Deze vijfvoudige 'mental training', die het schaken voor de jonge mens betekent, is daarom
zo betekenisvol omdat er eigenlijk een oude didactische stelregel waar wordt gemaakt, nl. dat
daar het meest geleerd wordt, waar spelend geleerd wordt. Bovendien verschalkt het
spelkarakter van het schaken op 'speelse wijze' menig recalcitrante jonge mens die tegen
harde intellectuele inspanning en training opziet, zodat uiteindelijk schakend gedaan wordt,
wat schoolgaand wordt afgewezen.
2. De attitudevorming.
Is training van het intellect een belangrijk aspect in het vormingsproces, het vermeerderen,
eventueel het verwerven, van attitudes is het niet minder. Een attitude is een bepaalde
ingesteldheid, een houding, een gezindheid, een gerichtheid.
Prof. Dr. A. De Block omschrijft in zijn werk 'Algemene Didactiek' op pag. 214 de attitude als
volgt: “Een stabiele (maar dynamische en veelzijdige of plastische) instelling of gedragswijze,
die geleid door intelligentie, genuanceerd tot uiting komt in variërende situaties.”
Welnu, de schaker heeft ruimschoots gelegenheid zich te oefenen in het verwerven of bevorderen
van attitudes of gedragswijzen die in diverse situaties van leven en school een belangrijke
functie vervullen.
2.1. De leerattitudes.
Onder leerattitudes verstaan we die attitudes die bij de studie als het ware de voedingsbodem
zijn voor het efficiënt functioneren van het intellect.
2.1.1. Het rationeel ingesteld-zijn.
Een goed schaker weet dat iedere zet moet verantwoord zijn, ook de tempozet. Wie zo
maar 'blokjes schuift' maakt geen kans. Ook weet iedere schaker dat er voor elk
schaakprobleem theoretisch en bij voldoende schranderheid een oplossing kan gevonden
worden - al vindt hij ze natuurlijk niet altijd. Maar ze is er. Dit vertrouwen in de
kracht van de rede, deze overtuiging dat de dingen rationeel te beheersen zijn, is voor
ieder studerende een onafwijsbare attitude.
Natuurlijk gaat dit rationalisme niet voor alle terreinen des levens op, zoals onder meer
niet voor geloof, moraal en kunst waar rationalistische behoeften en neigingen desastreus
kunnen werken. Maar daarnaast zijn er toch heel wat gebieden waar het gericht zijn op
inzicht en verantwoording vruchtbaar, ja zelfs noodzakelijk is. Het komt vaak voor dat een
leerling, zittend voor een moeilijke Latijnse zin, meent dat er ergens een (druk-)fout moet
ingeslopen zijn, of erger nog dat de auteur wel nonsens zal geschreven hebben. Hij krijgt
er kop noch staart aan. Wie echter van uit de schaakervaring de overtuiging is toegedaan
dat er geen 'nonsensproblemen' bestaan, zal al vlug zijn irrationele houding wijzigen en
door analyserend rationeel denken een 'zin' in deze Latijnse zin proberen te vinden.
Ook in de zogenaamde wetenschappelijke paradox is een rationele houding de enige uitweg.
Men staat b.v. voor tegensprekelijke uitkomsten van een proef. De gemakkelijkheidsoplossing
is natuurlijk dat de opgave wel fout zal geweest zijn. Maar een rationele houding zegt
echter dat men waarschijnlijk bepaalde elementen over het hoofd heeft gezien.
Net zoals bij de foutenanalyse van een schaakpartij zal de oplossing liggen in een kritisch
overdoen van het gehele gebeuren.
2.1.2. Bereidheid tot concentratie.
Dat een schaakpartij een geweldige concentratie van lange duur vergt is zonder meer duidelijk.
Dit is trouwens de reden waarom mensen met nochtans schrandere pointes toch niet tot schaken
komen of er vlug van af zien omdat hun deze bereidheid tot langdurige concentratie ontbreekt.
Wie studeert moet evenwel deze moed kannen opbrengen. En vaak zijn middelmatige uitslagen of
mislukkingen op school niet het gevolg van te weinig intellectuele kracht doch van liet falen
op het stuk van aandachtsconcentratie. Veel leerlingen schrikken terug voor het doordenken op
een probleem, ze draaien er om heen, fladderen er speels overheen en leren slechts wat aan
de oppervlakte. Vandaar die typische leerlingengroep met de opvallende ups en downs - vooral
downs, omdat ze slechts af en toe bereid zijn grondig op een stuk leerstof in te gaan.
Op hen is dan van toepassing wat Descartes (1596-1650), Frans filosoof, wis- en natuurkundige
ooit schreef, dat niets zo rijkelijk aanwezig is als verstand, maar dat ook niets zo zeer wordt
misbruikt als verstand omdat men het eenvoudigweg niet gebruikt. Voor een schaker is deze
Cartesiaanse waarschuwing overbodig. Zittend voor zijn schaakbord, weet hij dat hij
zijn 'verstand' gebruiken moet, intens en langdurig, op straffe waarvan niet, hij van het
bord wordt weggeveegd. Voor hem is de transfer van deze attitude naar het domein van de
studie slechts een overstapje.
2.1.3. Beheersing van de emoties.
Hoe schrander een goed schaker zijn combinaties ook opbouwt, toch komt hij vaak voor
verrassingen te staan en soms nog wel op een ogenblik dat hij de overwinning binnen zijn
bereik meende te zien. In een belangrijke competitie duikt dan plots de beklemmend-grimmige
dreiging op van een verloren partij.
Iedere schaker kent die ervaring, maar hij weet ook dat hij zich beheersen moet en niet in
een paniekstemming mag vervallen, in welke stemming hij zich licht zou kunnen laten verleiden
tot vermetele spectaculaire zetten, die eerder gedicteerd zijn door de psychische ontreddering
dan door de heldere schaaklogica. Neen, de enig goede reactie in deze gevarensituatie is die
van een desnoods artificieel geforceerd opbod van disciplinering en gevoelsbeheersing.
Op die wijze maakt hij dan de weg weer vrij voor het denken, vanwaar de reddende zet, de
nieuwe strategie toch zal moeten uitgaan.
De jonge schaker, die onvermijdelijk deze ervaringen meemaakt, kan hieruit leren hoe hij
staande voor examenvragen en examentaken die hem wel eens onverhoeds alle bodem onder de
voeten kunnen wegslaan, niet hals over kop en holderdebolder aan de beantwoording moet
schieten, maar eerst zijn gemoedsrust moet trachten te herstellen om pas dan aan de oplossing
te beginnen.
2.2. De sociale attitudes.
Onder sociale attitudes verstaat men vaste gedragswijzen - bovendien moreel aanvaardbaar - met
betrekking tot de evenmens.
2.2.1. Een gezond competitiebesef.
Vooraleer schakers de partij inzetten - zoals trouwens bij elke competitiesport - geven ze
elkaar de hand en vaak hoort men zeggen: “dat de beste mag winnen”. Dit klinkt toch heel
wat anders, dan dat men zou gaan menen dat schakers nogal eigengereide onsociale mensen zouden
zijn. Natuurlijk wint iedere schaker graag - wie niet soms? - en laat er dan maar eens een
asociale egoïst tussen zitten - waar is die trouwens niet te vinden? - toch kan men zeggen dat
schakers zonder rancune gemakkelijk de betere als overwinnaar erkennen.
In een maatschappij waar men vaak met kunst- en vliegwerk, ellebogenwerk en sordide manipulaties
achter de coulissen naar boven tracht te geraken, terwijl daardoor bekwamere onder wordt
gehouden, heeft deze gezonde competitiegeest, dat de betere onbestreden de overwinnaar mag
en moet zijn, voor jonge mensen een hoge morele en humane waarde.
2.2.2. Gerechtvaardigde agressiviteit.
Tegenover het eerder gelaten woord 'competitie' werkt het woord 'agressiviteit' virulent
en stekelig. Toch is agressiviteit in het schaakspel niet onsympathiek geladen.
Op een open tornooi speelde een twintigjarige ULB-student tegen een dertienjarige jongen. De
partij evolueerde naar remise en werd het uiteindelijk ook. Toen de dertienjarige
partner 'remise' voorstelde antwoordde de ULB-student zonder maar enige zweem van arrogantie
of geprikkeldheid, op uiterst gemoedelijke toon: 'Non, je veux gagner.' 'Ik wil winnen' is
in het schaakspel een hoogst acceptabele vorm van agressiviteit, vooral daarom, omdat deze
attitude geen beroep doet of kan doen op onfaire middelen. Er wordt gespeeld ‘ten aanschijn
van heel de wereld', uitsluitend met de kracht van geest en karakter. Men strijdt er met
eigen middelen, zonder machinaties en met open vizier. Dat men zich op die wijze 'agressief' wil
bevestigen moet zelfs hooglijk gewaardeerd worden.
Afwezigheid van deze morele agressiviteit houdt leerlingen vaak in de middelmatigheid. Men
moet willen winnen; willen een goed examen maken, willen een stof goed kennen; willen vooraan
staan; willen de eerste zijn, al is het in een boerendorp, liever dan de laatste plaats te
aanvaarden, al is het dan in Rome.
2.2.3. Aanvaarding van de eigen verantwoordelijkheid.
Schaken is een individuele sport. Met de verantwoordelijkheid voor een gewonnen partij heeft
natuurlijk geen enkele schaker last; die draagt hij graag. Maar de verantwoordelijkheid voor
een verloren partij kan hij op niemand afwentelen; hij heeft fout gespeeld. In de schaaksport
zijn er geen Pilatussen die hun handen in onschuld kunnen wassen. Wie verliest heeft het
aan zichzelf te wijten en hij moet die last alleen torsen.
In een wereld waar zovelen zich aan hun verantwoordelijkheid onttrekken en beaat
als 'onfeilbaren' en ‘gelijkhebbers' rondlopen, is deze schaakmoraal voor jonge mensen van
grote betekenis in hun sociaal gedrag.
2.2.4. Waardering voor manifeste superioriteit.
Omdat er met geen andere middelen dan met kracht van geest en karakter gespeeld worden, komt
de schaker ook gemakkelijk tot de erkenning van, en bewondering voor, superieur talent. Toch
is erkenning van andermans waarde niet zo een normaal verschijnsel in het leven. Werk van
persoonlijk onbekende auteurs nemen we nog al geredelijk in zijn objectieve waarde aan, maar
werk van hen, die met ons in de competitieve running van het leven of het beroep staan, bekijken
we overmatig kritisch, zoal niet kwaadwillig of zwijgen het dood.
We maken ons vaak blind voor de maat van hen die onze maat maar enigszins dreigen te doen
verkleinen. Daarom is het voor jonge mensen zo belangrijk voor hun sociaal contact dat ze
van uit de onbezwaarde waardering voor een uitgesproken schaaktalent, analoge waardering leren
op te brengen voor het talent en de bekwaamheid van hun medemensen, al moeten ze met hen de
competitie in het beroep aan.
2.3. De algemene levensattitudes.
Onder deze attitudes verstaan we vaste gedragingen die niet specifiek aan een bepaalde
leeftijd zoals de leerattitudes of aan een bepaald gebied zoals de sociale attitudes, gebonden
zijn. Algemene levensattitudes gelden doorheen het ganse leven, onafhankelijk van een bepaalde
tijd of plaats.
2.3.1. Bereidheid tot volharding.
In iedere schaakcarrière komen er periodes van stagnatie, zelfs van achteruitgang voor. Ook
de jeugdige schaker vergaat het niet anders. Hij heeft een bepaald niveau·bereikt en lijkt
uitgespeeld. De bekoring is dan groot er mee op te houden. De valabele schaker doet dat
echter niet. Moedig speelt hij door, stapt door deze donkere tunnel verder door en aanvaardt
de nederlagen als trainingsmomenten voor betere tijden. Jonge schakers die zich zo weten op
te stellen bewijzen zichzelf een onschatbare dienst van harding en bekwaming om analoge
depressieve momenten in studietijd en leven te overwinnen.
2.3.2. Vertrouwen in het keerpunt.
In een schaakpartij komt het voor, dat men positioneel en materieel achterstaat. Hier moet de
jeugdige schaker leren de teugels niet te vieren en niet onoordeelkundig te gaan spelen.
Integendeel, hij moet een houding aankweken waarin rekening wordt gehouden met de intrede van
het 'keerpunt', dat plots verschijnen kan door een fout van de tegenspeler maar vooral door
het feit dat hij de reddende zet vindt, als hij maar met het volle opbod de partij blijft
verder spelen.
Het is toch al zo dikwijls voorgekomen, dat men een vraag, die zo maar losjesweg wordt
gesteld, helemaal niet kan beantwoorden, terwijl men het wel kan op een examen waar de geest
alle krachten samenbalt. Dit vertrouwen in het keerpunt is hoogst belangrijk als levensattitude
voor de vele gevallen waar we geen uitweg zien tot op het moment dat het 'mirakel' gebeurt.
De spreuk dat ‘tijd raad brengt' bevestigt trouwens dat men niet voortijdig mag verzaken, maar
doordoende, de ommekeer kan verwachten.
2.3.3. Geen kleinzieligheid.
Natuurlijk kan de kans op een keerpunt geleidelijk aan wegslinken omdat de partner geen fout
begaat en men de vondst voor het keerpunt niet kan waarmaken. Wanneer het dan onomstotelijk
vast staat, dat onder geen enkel opzicht nog een keerpunt te forceren valt, moet het ook een
attitude geworden zijn, dat men niet verder kleinzielig doorspeelt waarvan de enige betekenis
uitstel van executie zou zijn. Dan maar de ridderlijke opgave, iets wat bij jongeren zowel
als bij volwassen spelers vrijwel algemene regel is.
Achter die opgave zit trouwens een belangrijke attitude, die met transfer naar het leven,
betekent, dat men niet blijft kankeren wanneer een promotie ons ontgaat en een concurrent
toevalt. Een partij winnen is prettig, maar eenvoudigweg gespeeld te hebben, ook al heeft
men verloren, kan ruim zo boeiend zijn. Zo ook ervaren we een promotie als een heerlijk
moment in ons leven, maar de oude taak moeten verder zetten, omdat geen promotie volgde,
vermindert de zinvolle betekenis van ons leven in genen dele.
Wie zich van het jeugdschaakbord af in grootmoedige aanvaarding heeft geoefend, heeft zich
voor het leven bij voorbaat van veel zinledig gekanker bevrijd.
3. Besluit.
Het gebeurt wel eens, dat ouders en leerkrachten zich bezorgd afvragen of al die
schaakactiviteiten niet gaan ten koste en ten nadele van de studie. Het is denkbaar
dat dit zou kunnen. En wanneer het al een keer voorkomt, dat onder jeugdig enthousiasme
te veel tijd in het schaken wordt geïnvesteerd, moeten de bakens natuurlijk worden verplaatst
en moet aan de studie prioriteit worden verleend.
Doch wanneer de studie er niet aanwijsbaar onder lijdt, mag er geen ogenblik aan
getwijfeld worden, dat schaakactiviteiten in hoge mate bijdragen tot de vorming van
geest en karakter. Wanneer men dan schakers in het algemeen en jeugdschakers in het
bijzonder, huldigt en met prijzen vereremerkt, is dat geen ijl en ijdel gedoe. Deze
huldiging slaat ergens op. Natuurlijk bezitten alle schakers deze intellectuele en
attitudinaal-morele kwaliteiten niet allemaal samen en dan nog in de hoogste potentie,
maar toch wel altijd enkele in mindere of meerdere mate zonder dewelke ze trouwens het
schaken vlug zouden opgeven of er althans niet veel zouden van terechtbrengen.