2002 : Het geheugen van een schaker - Grootmeester Jan Timman – Universiteit Maastricht november 2002

De in 1951 in Amsterdam geboren Jan Timman is na wereldkampioen Max Euwe ongetwijfeld Nederlands bekendste schaker. Na enige malen jeugdkampioen van Nederland te zijn geweest, besluit Timman in 1970 beroepsschaker te worden. In 1971 wordt hij Internationaal Meester en drie jaar later wordt hem ook de grootmeestertitel toegekend. Vanaf dat jaar tot nu toe speelt hij bij haast alle internationale teamwedstrijden, zoals de Olympiades, teamkampioenschappen, zowel op Europees als op mondiaal niveau aan het eerste bord van het Nederlandse team.
In 1980 bezet Jan Timman dankzij een groot aantal voortreffelijke prestaties de vierde plaats op de wereldranglijst en hij ziet kans zijn positie in 1982 nog te verbeteren door de tweede plaats achter wereldkampioen Anatoly Karpov te veroveren. Met recht wordt hij dan ook ‘Best of the West’ genoemd. Vanaf 1979 behoort Jan Timman tot de selecte groep schakers die strijden om het wereldkampioenschap.

Op dinsdag 5 november 2002 was Jan Timman te gast in Maastricht waar hij 's avonds een gesprek voerde met Prof.dr. Jaap van den Herik van de Universiteit Maastricht met als thema: het geheugen van de schaker. In zijn uiteenzetting stelde Jan Timman dat goede schakers eerst in patronen denken en daarna pas in zetten. De patronen zijn deelstellingen die al eerder in partijen voorkwamen of ingestudeerd zijn.
Grootmeesters kennen ongeveer 70.000 patronen, de wereldtop zelfs 90.000. Dit lijkt wel een zeer indrukwekkend aantal, maar als men bedenkt dat een gemiddelde clubschaker ook al z’n 50.000 patronen kent… Het verschil tussen een wereldkampioen en een clubschaker is niet alleen de kennis van het aantal patronen maar ook de snelheid waarmee men de patronen terug kan ophalen uit het geheugen en terug in de praktijk brengen. De grootmeester kent ze, de clubschaker moet zoeken en dat kost tijd. Het tweede grote luik is dit van het rekenwerk, het vooruit denken op basis van de bestaande stelling. Dit vergt een uitgesproken training zoals dit ook bij alle andere sporten het geval is. Het spreekt voor zich dat een specifieke aanleg voor het onthouden van patronen, zeg maar een visueel geheugen, en een bijzondere gave voor analyse en rekenen hierbij een flink stuk kunnen helpen en het verschil maken om de absolute top te kunnen bereiken. Maar dan hebben wij het nog niet gehad over de intuïtie. Soms gaat het om onbewuste kennis, om grootmeesterlijke intuïties.
Weet een grootmeester wat hij aan kennis opgeslagen heeft? Hoe leert hij/zij nieuwe kennis? Is degene die de meeste schaakkennis bezit ook de sterkste speler? Het kan allemaal niet zo nauwkeurig omschreven worden, maar vast staat dat ook grootmeesters regelmatig een zet doen op basis van hun intuïtie. Dat deze niet altijd even feilloos is weten ze maar al te goed want elke grootmeester maakt ook wel eens een blunder!

Top