Sport-medisch onderzoek bij schaakspelers van de Top-klasse.

H. Pfleger, K. Stocker, H. Pabst, G. Haralambie
Vertaling uit Münchener Medizinische Wochenschrift 122 (1980)

14 deelnemers werden gedurende een internationaal Grooot-Meester Schaaktornooi in München uitgebreid onderzocht om zowel de fysische belastbaarheid en neurovegetative prikkelbaarheid (stress) in het algemeen te onderzzoeken alsook het bloedsomloopgedrag gedurende de individuele partijen en de stofwisselbelasting gedurende het 18 daags tornooi na te gaan. Acht van de elf spelers die aan dit bloedonderzoek deelnamen toonden ten minste éénmaal gedurende het verloop van het tornooi grens- tot verhoogde cholesterolwaarden. In hun algemene fysieke capaciteit, hun neurovegetative prikkelbaarheid en hun bloedsomloop-parameters bij de wedstrijd waren deze schaakspelers absoluut met andere sportlui van zogenaamde atletieksporten te vergelijken, zodat volgens deze criteria schaken met recht als sport kan aanzien worden. Aanleiding tot dit onderzoek was de vraag in hoe ver de schaakspelers in hun fysische belastbaarheid en reactie, met andere sportlui te vergelijken zijn. In het kort: is schaken sport?
Om de vraag verhoogde lichamelijke belasting bei topschaken te onderzoeken deden wij, bij het Internationale grootmeestertornooi van 1979 te München, medisch-biologische onderzoeken met de deelnemers die ten dele tot de wereldtop behoorden.

Laboratorium-Parameter

Het gewicht van de meeste spelers bleef gedurende het tornooi over het algemeen constant (± 1 Kg). 5 spelers namen 1 tot 4 Kg af. Gedurende een opwindende partij werd dikwijls een gewichtverlies vastgzesteld doch dat compenseerde zich in de rustpause. Bovendien hielden de spelers een dieetboekje bij waarin ze hun spijzen en dranken noteerden. Hierbij bleek geen wezenlijk verschil met hun gewone kost. Deze constante was belangrijk voor de beoordeling van hun urinezuur, cholesterol en triglyseriden. Bij onze onderzoeken, waaraan zich elf der spelers regelmatig deelnamen, waren zowel de aanvangswaarden als de schommelingen van de Serum-urinezuren, van het bloedsuiker en van de leukozyten steeds normaal.
Bij 8 spelers was de gedrag van de serumtrigyzeridespiegel onopvallend, alleen toonden twee spelers gedurende het onderzoek een stijging tot een kritiek bereik dat in het oog moet worden gehouden (150 tot 200 mg%), de derde is adipeus en heeft mogelijk een latente "diabetis mellitus".
Opvallend was het verhouden van het cholesterin. 8 van de 11 spelers hadden minstens éénmaal tijdens de vier metingen grenswaarden (normgrens 220 mg%) tot duidelijk verhoogde waarden waarbij onder hen ook jonge slanke spelers waren..
In 5 gevallen waren reeds de aanvangswaarden verhoogd. Bij 10 van de 11 spelers was er een stijging van de waarden met toppers bij de derde bloedafname, toen 2/3 van het tornooi waren gespeeld. Bij de laatste meting, na het einde van het tornooi, waren in alle gevallen de waarden teruglopend.

Tabel 1. Triglyzeride in mg% bij de drie opvallendste spelers.

Speler Begin toernooi Na 7 dagen Na 12 dagen Einde toernooi
± 25 jaar
slank, matig geoefend
129 194 188 105
± 40 jaar
zeer sportief
68 162 170 176
± 50 jaar
adipös of diabeticus
178 214 242 geen waarde

Tabel 2. Cholesterol Profiel (waarden in mg%).

Speler Begin toernooi Na 7 dagen Na 12 dagen Einde toernooi
± 20 jaar
slank, fysiek niet geoefend
152 187 250 203
± 25 jaar
slank, matig geoefend
231 228 280 188
± 40 jaar
zeer sportief
204 185 280 253

Bloeddruk

Ook hier konden we, wegens het daarbij verbonden concentratieverlies geen metingen doen gedurende de wedstrijden terwijl juist in deze kritieke situaties en onder de tijddruk die zeer sterk verhoogde sympathikoronus (zie polsfrequentie) interessant zou geweest zijn.
Er werd in de late namiddag gespeeld, zodat de physiologische bloeddrukvermindering om deze tijd van de dag licht zullen verminderd hebben.
14 spelers namen deel, de meesten regelmatigbij elke partij.De 6 spelers die bij de mlichamelijke onderzoekingen hypotone waarden van 100/70 hadden vertoonden voor de wedstrijdpartijen waarden van 125/85.
Bij zes spelers waren de bloeddrukwaarden (afgezien van kleine afwijkingen meestal naar boven) in het algemeen normaal, vooral 2 skandinaviers vielen door hun bedaardheid op. De andere 8 spelers vertoonden (bij beginwaarden meestal in het normale) geregeld (naargelang van het verloop van hun partij) systolische stijgingen van10 tot 20 mmHg, diastolische stijgingen van mmHg. Individuele spelers hadden bij het einde van hun paartij vantijd tot tijd echter ook stijgingen van 30 tot 40 mmHg. Bij één jonge speler werden, bij beginwaarden van 140/90 tot 180/120 gemeten. Een andere jonge speler vegetativ labil met een neiging tot sterke psychosomatische reakties, maten we, bij een aanvangwaarde van 120/80, na een spannende partij, nog na 15 minuten, een waarde van 160/100 mmHg.
Een andere, oudere speler, had opvallend lagere bloeddrukwaarden bij het spel met de witte stenen (hier voelde hij zich bevoordeeld door de openingaanvang, zekerder) als met de zwarte stenen. Ook waren voor hem in de eerste helft van het tornooi de stress en daardoor ook de bloeddrukwaarden hoger dan in de tweede helft. Hier had hij, wegens zijn tot dan goede resultaten, zeker gewonnen.
Pfleger probeerde in zijn partij met Spassky voor het eerst (en ook voor het laatst) een Beta-blocker) (1 Tablet Beloc) uit, bij normale waarden van 135/85 mmHg, lag hier zijn bloeddruk bij 105/75 mmHg, de voor goede prestaties belangrijke optimale (slechts bij overmaat is ze remmend). Opwinding ontbrak. Zang- en klangloos maar ook in grote onverschilligheid verloor hij na een grote fout. Overigens lag ook zijn polsfrequentie gedurende deze partij bij 50 tot 65/min met een minimum van 40/min, waar het normaal tussen 80 en 110/min lag. Samengevat kan aan de hand van deze resultaten gezegd worden dat de hoogte van de bloeddruk en de eventuele verhoging ervan, afhangt van de natuur van de individuele speler en van de spanning van de partij.

Hartslag

De gesteldheid van de hartfrequentie weerspiegelt zich de psychomentale belasting. Bij alle spelers was de polsslag vóór de partijen tegenover de normale rustwaarden 10 tot 30% hoger en lag bij 90/min met toppen tot 120/min Dit komt dan weer overeen met de in andere sporttakken beschreven begintoestand; een zinvolle adrenergene bereidstelling van het lichaam . 100 meter lopers kunnen in de startblokken polswaarden vertonen van 160 tot 180/min.

Er was duidelijk een brede spreiding van de waarden naargelang de belangrijkheid dat de gespeelde partij (die afhing van de tegenstander, de stand van het tornooi, de kleur van de stukken, enz.) toegekend werd. De polsslag na de partijen was verschillend bij de onderlinge spelers en varieerde ook nog bij één en dezelfde speler bij verscheidene partijen. Ten dele neigde dit tot een lichte daling (stressmindering na de partij) ten dele bleven de waarden ongeveer gelijk. Bij drie spelers kwam het nog tot duidelijke frequentiestijgingen van 10 tot 20 %, bij hen klonk de stress slechts langzaam af.

Met de polsslagmetingen, voor en na de partijen, werd evenwel slechts een momentopname en dus een onbevredigend beeld van de verhouding van de bloedsomloop opgetekend. Dit toonde de uitslag van de "doorlopende EKG opnamen" der bandopnames gedurende de partijen. 12 spelers namen deel aan deze metingen, die wel ongeveer de door verwachtte resultaten brachten. Doch voor een onbevooroordeeld waarnemer, die niet achter de gezicht van de zo schijnbaar onbewogen spelers kan kijken, kunnen deze wel verrassend schijnen. Natuurlijk zijn er overeenkomstig de aard van de individuele speler, het belang en het verloop van de partij grote verschillen, toch laten zich enkele continu terugkomende gemeenschappelijkheden vaststellen.

In 90 % van de optekeningen vond men een min of meer uitgesproken "voorstarttoestand" die meestal van 1 tot 5 minuten duurt en een doorsnee frequentie van 90 tot 110 :min aangeeft. Daarna komt het meest welbekende theoretische openingsfasen (het één maal één van de topspelers) tot een kalmering en een verlangzaming van de polsslag tot 80 tot 90/min. Hier speelt doorgaans een puur mentaal-cognitief verloop, zonder veel angst, een grote rol. Bedoelds het oproepen van het eigen memorie, het loodsen van de tegenstrever in een onbekende, of stilistisch onbeliefde, richting.

1.Opwinding, overeenkomend met de "voorstartperiode".
2. Dwang tot een onvoordelige terugtrekking.
3. Begin van een langdurende verdediging met steeds toenemend gevaar te verliezen.
4. De tegenstander offert schijnbaar winstbelovend.
5. De toestand is onoverzichtelijk, verscheidene figuren hangen.
6. Tijdelijke kalmering van de toestand.
7. De tegenstander geraakt in een "matnet".
8 De winstzet.

Het komt toenemend bij opwindende verwikkelingen in de openingskamp of het op elkander botsen van de slachtrijen in het begin van het middelspel, tot een stijging van de spanning en daarmee samengaande verhoging van de polslag. De pols steeg meestal voortdurend tot op het ogenblik van de kritieke beslissings- of tijdnoodfase (als er slechts weinig bedenktijd voor de overblijvende zetten overbleef)) en bereikte hoogten van 110 tot 120/min.
Dit prototypisch verloop kan door kortstondige polshoogten (van seconden tot minuten durend, tot 170 slagen/min) in afwachting van een gevreesde zet van de tegenstander, of ook in het geval van een verreikend besluit (b.v. het opofferen van een stuk) onderbroken worden. Of eventueel ook nog door een vermindering van de polsfrequentie (b.v. bij duidelijke voorgegevene spelkonturen of bij een bepaald opheffen van het dynamisch evenwicht zowel in de zin van voor- of nadelig spelverloop). Niettemin waren hier ook duidelijke verschillen in de individuele reactiewijzen (bij het gelijktijdig vergelijk van het verloop van de partij, met tijdmarkering van de individuele zetten, en de verder lopende EKG) te bemerken.
Zo geef de ene bij een winstbelovend voordeel zekerheid en daarom dus ook een kalmering van de pols. De andere dan weerom wordt dan juist bang dat de nabije zege hem nog zal ontsnappen en hij het overwicht zal verliezen en reageert met een verhoging van de polsslag. Dit was duidelijk te merken bij een Duitse grootmeester.

1. Spelen van een riskante opening.
2. Voor een belangrijke en onomkeerbare beslissing.
3. Tijdens de bedenktijd van de tegenstander een fout ontdekken in de eigen berekening.
4. Begin van een "wilde" schermutseling.
5. Toenemende tijdnood bij de twee spelers.
6. Ontlading tijdens de winst.

Het werd ook duidelijk dat de angst (en daarmee dus ook de polsfrequentie) hoger werd bij het afwachten van een tegenzet. Het passief moeten aannemen van een spelfase had groter invloed op de polsslag dan het overleggen voor een eigen zet, t.t.z. een actieve invloedname op het spel. Bij het einde van het spel, als het verdict gevallen is, komt het tot een catharische ontspanning en polsslagverlaging. Om het voorgaande te verduidelijken worden in de afbeeldingen 1 en 2, de polsfrequenties van twee grootmeester getoond.

Prestatievermogen

De "Fahrradergometrie" werd bij gelijktijdige registrering va n de hartrythmus-curven doorgevoerd (fahrradergometer elektrisch geremd, EKG-zesvoudige opnemer) De belastingsaanvang lag afhankelijk van de ouderdom en de trainingstoestand van de schaakspeler, bij 100 tot 150 watt. Alle twee minuten werd de belasting met 50 watt opgedreven. De eindbelasting was deze die minstens twee minuten werd uitgehouden. Bij elke belastingsfase werd de hartfrequentie vastgesteld.
De maximale belasting bedroeg hoogstens 300 watt. Gemiddeld bedroeg de belastingshoogte 197,2 watt, wat overeenkomt met een gemiddelde belasting van 3,10 watt/kg KG?. De hartfrequentie lag daarbij rond 170 slagen per minuut.
De hoogste hartfrequentie die werd opgetekend bedroeg 190/min, de laagste 155/min. Bij zulke lage hartfrequentie kan men gerust aannemen dat de sporter zich niet voluit gegeven heeft. In rust-EKG vonden wij bij de vier bestgetrainde schaakspelers telkens een onvolledige rechtsschenkelblock? zoals hij ook bij topsporters bekend is. Bij geen van de onderzochten, bevond zich in het belastings-EKG, ook maar de geringste verandering in de curve die op een organische hartschade zou kunnen wijzen.
Als voorbeeld voor de fysieke belastbaarheid van een schaakspeler is hierna het resultaat van een grootmeester opgetekend. Het belastingsbegin bedroeg 100 watt, de stijging elke twee minuten steeds 50 watt, de eindbelasting 250 watt. De hierbij bereikte maximale hartfrequentie bedroeg 160/min; de polsslag, drie minuten na de belasting, nog slechts 105/min. Dit toont aan dat de sporter zich niet maximaal belast heeft. Een verdere stijging van de fysieke belasting ware steeds mogelijk geweest. Anderzijds tonen deze waarden aan dat de trainingstoestand van deze schaaksporter wezenlijk boven het gemiddelde ligt.
Bij het onderzoek der houding- en bewegingsapparaten bevonden zich geen bijzondere specifieke bevindingen die een lichamelijke belasting in de weg zouden hebben gestaan.
Bij de controle van de bloedsomloop vonden we in zes gevallen duidelijk lage bloeddrukwaarden: om de 100/70. Er was echter in geen enkele van de onderzochte gevallen een aanwijzing dat een der sporters aan een ontregeling zou lijden.
Om een neutraal oordeel te kunnen vellen over de belastingsomvang bij schaakspelers, hebben we verscheidene andere sporten (curling, golf, motorsport, schietsport) waarbij eveneens de puur fysieke prestatie niet in de voorgrond van het gebeuren staat, ter vergelijking gesteld. De resultaten zijn in tabel 3 als middenwaarde aangehaald. Bij het vergelijken van de individuele prestatie-diagnostieke waarden, word aangetoond dat de schaakspelers vergelijkbare waarden hebben als bij andere gelijkaardige sporten.

Tabel 3

Diagnostische data (mediumwaarden) van de prestaties der verscheidene sporttakken, opgenomen bij topsporters van de A-B-C kaders (metingen opgenomen door de sportmedische onderzoeksinstantie van het "Bayer. Landessportverband"

Sporten Ouderdom Watt/Kg gewicht Watt Max. hartfreq.
Curling n=31 25,7 3,45 248,3 180,8
Golf n=17 26,1 2,59 183,3 175,0
Motorsport n=9 35,5 3,16 225,0 170,0
Schieten n=116 25,6 3,62 248,3 179,4
Schaken n=37,11 37,11 3,19 197,2 169,7

Neurovegetatieve prikkelbaarheid.

Bij het schaakspel zijn concentratie, combinatievermogen en besluitvaardigheid gedurende een lange periode, noodzakelijk. Dit veronderstelt een goed neurodynamisch evenwicht en een gecoördineerde en harmonische aanpassing van de vegetatieve regeling op de invloed uitgeoefend door de omgeving (temperatuur, licht, warmte, enz). Daarbij moeten de uitgangspositie evenals het reactievermogen der vegetatieve centra het in ZNS? optimaal zijn.
Voor de karakterisering van de neuro-vegetatieve prikkelbaarheid werden bij 9 spelers, 's morgens om 9 uur, electrodermogrammen en de zogenaamde "electrische Chovstek" gemeten. Na 15 minuten pauze werden de huidimpedence reflexen met behulp van een dynamische impedance-meter (spanningsmeter???) en aansluitend de electrodermale reflexen met een EKG apparaat geregistreerd. Hierbij handelt het zich in het eerste geval om het zogenoemde "passieve" electrodermogram (Ferré-reflex) en om het overeenkomstige "actieve" fenomeen (Tarchanow-reflex) in het tweede geval. Beide methoden worden in de Bondsrepubliek de laatste tijd steeds meer bij sportmedische onderzoeken gebruikt.
Als bijkomende aanwijzing voor de nerveuze prikkelbaarheid werd de intensiteit/duur curve van een kraniale (betreft de schedel J.C.) zenuw, de zogenaamde "elektrische Chvostek" bepaald. Bij dit onderzoek werd met behulp van een "constant current"-stimulator (Neuroton 626, fa Siemens) met rechthoekimpulsen de rechter buccalis van de N. (noordelijke?) facialis geprikkeld en de minimale stuiptrekking van de M. (midden?) orbicularus oris aan de bovenlip geobserveerd.
7 van de 9 onderzochte spelers vertoonden een goede overeenstemming in de verhoudingen der huidimpendens- en der electrodermalreflexen. Hun prikkelantwoorden lagen in het normale, niettegenstaande er ook vier spelers een tendens tot hyper-reaktie en twee zelfs een hypo-reactie vertoonden.
Bij de andere twee spelers was er een discrepantie in het gedrag van de Tarchinow- resp. Ferré-reflexen. Bij één speler uit de groep werden bovendien duidelijk afwijkende prikkelantwoorden geregistreerd. (wat dat ook mag zijn J.C.)
Bij 6 der 9 spelers lagen de I/T-curven van de "elektrische Chovstek" binnen de norm. Slechts 3 spelers, die reeds in de electrodermogrammen hyper reactieve prikkelbaarheid vertoonden, hadden ook hier een overreactie.
Bij drie schaakspelers kon in de prikkelbaarheidcurve een zogenaamde "magnesium (hoogte)punt" vastgesteld worden. De bepaling van het magnesium in het serum van deze spelers, bevestigt het verdacht op een verlaagde serummagnesium-pegel.
Een waardebepaling der resultaten van de onderzoeken die voor de karakterisering van de neurovegetatieve prikkelbaarheid werden uitgevoerd, is vanwege het geringe aantal metingen niet mogelijk. Opmerkenswaardig schijnen de gevallen van neurovegetatieve overprikkelbaarheid, daar men bij schaakspelers veeleer een evenwichtigheid in het centrale en vegetatieve zenuwstelsel zou verwachten. Interessant zou een meervoudig onderzoek zijn bij één en dezelfde zelfde speler en de vergelijking met de successen en mislukkingen in het verloop van een tornooi.

Literatuur:
1. Clasing, D. U Mitarb.: Med. Welt 22 (1971) 808-811.
2. Edelberg, R.: In Methods in Psychophysiology, ed. By Clinton Brown, Chapt. I. Williams and Wilkins, Baltimore 1967.
3. Haralambie, G., Bühner, N.: Dtsch. Z. Sportmed. 30 (1979).
4. Haralambie, G., Berg, A.: Sportarzt u. Sportmedizin, 24 (1973).
5. Haralambie, G., Partheniu, Al.: Sportarzt u. Sportmedizin, 20 (1969) 93-106.
6. Haralambie, G.: Kankenhausarzt 52 (1979) 293-299.
7. Hüllemann, K. D.: Leistungsmedizin - Sportmedizin. S. 234- Thieme, Stuttgart 1976.
8. Hüllemann, K. D.: List, M.: Med Welt 24 (1973) 1360-1363.
9. Klepsig, H.: Tageszeitabhängige Blutdruckschwankungen. Sandoz - Information, dezember 1978.
10. Nowacki, P., Schmid, E.: Med. Welt 21 (1970) 1682-1688.
11. Schäcke, G.: Sandorama 1 (1979).
12. Steinbach, M.: Therapiewoche 21 (1971) 2613-2617.

Top