Schaken als leermiddel voor kinderen en jeugd.
Schaken is denken, voelen en willen
Griet DE KUYPER : Psychologe op rust, na 36 jaar gedreven werken in het PMS-centrum
en CLB Gemeenschapsonderwijs Genk.
|
Schaken is een spel, op school moet je leren en is het
menens. Op het eerste zicht hebben schaken en school dus
weinig gemeen. En toch, bij nader beschouwen, zijn er veel
raakvlakken.
1. Beiden stellen zich tot doel het denkvermogen te bevorderen via:
|
| |
- |
Goed observeren combineren en ordenen van gegevens, structureren en evalueren; |
| |
- |
Kritisch oordelen: goede en zwakke momenten onderkennen; |
| |
- |
Analyseren en remediëren van fouten en aldus vooruitgang boeken; |
| |
- |
Snel denken en toch juist beslissen (dit kan soms cruciaal zijn); |
| |
- |
Toepassen van regels en wetmatigheden in nieuwe situaties.
|
|
2. Daarnaast willen beide attitudes ontwikkelen en
stimuleren die bij latere studies en in het latere
beroep van kapitaal belang kunnen zijn: |
| |
1. |
leerattitudes: |
| |
|
- |
rationeel ingesteld zijn; |
| |
|
- |
bereidheid tot concentratie; |
| |
|
- |
beheersing van emoties. |
| |
2. |
sociale attitudes: |
| |
|
- |
gezond competitiebesef; |
| |
|
- |
gerechtvaardigde agressiviteit; |
| |
|
- |
aanvaarding van eigen verantwoordelijkheid; |
| |
|
- |
waardering van manifeste superioriteit. |
| 3. Toepassingsmogelijkheden van schaken: |
| |
|
- |
In de reguliere klas: als vak of als activiteit tijdens de middagpauze; |
| |
|
- |
In de kangoeroeklas (groep meer- en hoogbegaafde kinderen); |
| |
|
- |
Bij autistische kinderen; |
| |
|
- |
Bij kinderen met ADHD; |
| |
|
- |
Bij kinderen met sensorische of motorische beperkingen.
|
|
|
Schaken is denken, voelen en willen. Het is dus een bezigheid
die de totale persoon beïnvloedt en stimuleert en is niet alleen
weggelegd voor 'knappe koppen'. Wat hierna volgt is een toelichting
op het effect van schaken op het intellectueel functioneren
en de attitudevorming.
I. Schaken stimuleert het denken.
Een mens heeft van nature een bepaalde intelligentie, maar wat
bepalend is, is wat hij ermee doet. Wil de intelligentie ontwikkelen,
dan zijn een sterke motivatie en creativiteit nodig (Renzulli). Zijn
deze drie factoren, nl. intelligentie, motivatie en creativiteit,
in hoge mate gelijktijdig aanwezig, dan kunnen er puike prestaties
neergezet worden (en spreekt men van meer- en hoogbegaafdheid) en
kan men stellen dat alle begaafde kinderen intelligent zijn, maar
niet alle intelligente kinderen zich begaafd gedragen. Gezin,
school en leeftijdsgenoten kunnen een zeer goede ondersteuning
en stimulans zijn om de aangeboren mogelijkheden optimaal te
ontplooien (Mönks).
Descartes: "Niets is zo rijkelijk aanwezig als het verstand, maar
niets wordt zoveel misbruikt als het verstand, omdat men het
eenvoudigweg niet gebruikt."
Het denken werd grondig gestudeerd door Piaget:
|
| 1. |
het denken tussen 6 en 12 jaar: |
| |
- |
is de fase van het concreet-operationeel denken; |
| |
- |
het kind komt geleidelijk los van het concrete en kan het zich
mentaal voorstellen, het beschikt over innerlijke doe-schema's. |
| 2. |
het denken na 12 jaar: |
| |
- |
begin van formeel-operationeel denken; |
| |
- |
meer bezig met het hypothetische en abstracte; |
| |
- |
intrede van het deductief denken; |
| |
- |
de jongere leert afstand nemen van de
eigen gedachtenstroom; |
| |
- |
komt tot een wetenschappelijke manier
van denken: |
| |
|
- |
formele beweringen op elkaar afstellen; |
| |
|
- |
abstracte hypotheses opstellen; |
| |
|
- |
gebruik van abstracte woordenschat; |
| |
|
- |
eigen denken toetsen. |
Hoe beïnvloedt schaken nu dat denken? Welke denkactiviteiten worden
uitgevoerd? Welke parallellen zijn er met de onderwijssituaties
op school?
1. Observeren en combineren: |
| |
Van in het begin scherp de operationele elementen van de eigen en de
tegenpartij observeren van waaruit combinaties en strategieën
opgebouwd worden - dit wordt herhaaldelijk overgedaan en hieruit
groeien alternatieve strategieën.
Observeren, inventariseren, gegevens ordenen, structureren
(tot aanvals-, verdedigings- en offercombinaties in het schaken),
herzien, corrigeren, herstructureren… zijn denkactiviteiten die
we op school en in het dagelijkse leven terugvinden. Vb.: |
| |
- |
Bij het maken van een verhandeling; |
| |
- |
Het oplossen van vraagstukken; |
| |
- |
Het maken van een technisch werkstuk. |
|
2. Kritisch oordelen: |
| - |
Het vermogen om een gewonnen partij
op haar reële waarde te evalueren, zwakke en goden
momenten onderkennen. |
| - |
Op school moeten leerlingen
voldoende kritisch zijn op hun prestaties, hun inzet, hun omgang
met anderen enz. |
|
3. Analyseren en remediëren van fouten: |
| - |
Nagaan door welke zet men verloor en hoe dit kon geremedieerd
worden zodat verlies wordt omgezet in winst. |
| - |
In de school hebben zowel leerlingen, leerkrachten, als ouders een
slecht gevoel bij "fouten maken". Nochtans is niets zo dankbaar als
een fout: de leerkracht weet wat hem/haar te doen staat en de
leerling krijgt een nieuwe kans in het leerproces. |
4. Snel denken: |
| |
Schaken kan tergend traag zijn, maar er is ook snelschaak.
Op school wordt er weinig onder hoge tijdsdruk gewerkt. Meestal richt
men zich naar het tempo van de middelmaat. Wie sneller klaar is, doet
iets anders (andere oefeningen, autocorrectie, lezen…), wie niet klaar
is moet het op een ander moment afmaken of krijgt hulp.
Bij mondige taalvaardigheid, bij examens, bij het maken van
keuzes is snelheid soms wel erg belangrijk. |
5. Inzichtelijk transfereren: |
| - |
Het memoriseren van wetten, systemen en combinaties is belangrijk,
doch belangrijker is de transfer in analoge situaties. |
| - |
Leerlingen moeten regels, formules, wetmatigheden en stellingen kennen
maar het wordt pas interessant als deze kennis in nieuwe studies
herkend en toegepast kan worden, waardoor er orde en structuur komt
in de veelheid van het schoolse aanbod. |
6. Geheugen en ruimtelijke voorstelling: |
| - |
Dit zijn twee vaardigheden waarop bij het schaken bijna voortdurend
beroep wordt gedaan. |
| - |
Op school ondersteunen zij tevens de leerprocessen. Let op, een te
goed geheugen legt soms het denken stil. |
De grote troef van schaken is dat kinderen op een speelse manier leren.
Kinderen die op school soms een aversie vertonen om te leren,
ontwikkelen op speelse wijze via het schaken hun denkvermogen.
|
II. Naast de mentale training draagt schaken ook bij tot attitudevorming.
Een attitude is een ingesteldheid, een houding, gezindheid
of gerichtheid.
1. Leerattitudes: |
| |
Dit zijn attitudes die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van de
intelligentie, voor het efficiënt functioneren van
de intelligentie. |
| |
a. |
Het rationeel ingesteld zijn: |
| |
|
- |
Een schaker weet dat er voor ieder probleem een oplossing bestaat.
Hij vindt ze misschien niet zelf, maar ze is er. |
| |
|
- |
Het vertrouwen in de rede is voor iedere studerende een
onafwijsbare attitude. |
| |
|
- |
Wat op het eerste zicht een fout lijkt, of zinloos lijkt, kan na
rationeel denken of kritisch overdoen wel juist en zinvol blijken. |
| |
b. |
Bereidheid tot concentratie, zowel een diepe als een lange
concentratie: |
| |
|
- |
Een schaakpartij kan lang duren en daardoor mentaal erg vermoeiend zijn.
Het kind moet de moed hebben om door te denken, er niet
om heen te gaan. |
| |
|
- |
Minder goede prestaties op school zijn soms eerder te wijten
aan een gebrekkige aandacht dan aan een gebrek aan inzicht.
Studeren is geen toevallige bezigheid: de student moet de intentie
hebben om te leren, moet aan zijn bureau kunnen blijven zitten
en de gedachten blijven richten op het onderwerp. |
| |
c. |
Beheersing van emoties: |
| |
|
In het schaakspel kan men voor verrassingen komen te staan, dat het
spel ineens anders verloopt. Dan is het belangrijk om zijn emoties te
beheersen waardoor het denken mogelijk blijft.
Bij examenvragen kan ook paniek ontstaan. Dan is het een kwestie van
eerst zijn gemoedsrust te herstellen om dan pas naar de oplossing
beginnen te zoeken.
|
|
2. Sociale attitudes: |
| |
Dit zijn gedragswijzen met betrekking tot de medemens. |
| |
a. |
Een gezond competitiebesef: |
| |
|
Bij de aanvang van het spel wenst men elkaar een prettige partij
en vertrekt men vanuit een gezonde competitiegeest, nl. dat de
beste moge winnen. |
| |
b. |
Een gerechtvaardigde agressiviteit: |
| |
|
"Ik wil winnen."
Er wordt gespeeld ten aanschijn van iedereen met de kracht van de
geest en karakter, met eigen middelen. Op school moet men ook een
goede toets "willen" maken, de leerstof "willen" leren, "willen"
vooruitgaan. |
| |
c. |
Aanvaarden van de eigen verantwoordelijkheid: |
| |
|
Schaken is een individuele sport. De verantwoordelijkheid voor een
verloren partij kan je op niemand afwentelen. Wie verliest heeft het
aan zichzelf te wijten. Slechte punten op school moet je ook niet
telkens proberen te verklaren door naar anderen of slechte
omstandigheden te wijzen. |
| |
d. |
Waardering voor manifeste superioriteit: |
| |
|
De schaker komt tot erkenning en bewondering voor iemands superieur talent.
Het is voor jonge mensen belangrijk voor hun sociaal contact dat ze leren
waardering op te brengen voor andermans talent en bekwaamheid.
|
|
3. Algemene levensattitudes: |
| |
Dit zijn vaste gedragingen die gelden voor het ganse leven,
onafhankelijk van leeftijd, plaats of tijd. |
| |
a. |
Bereidheid tot volharding: |
| |
|
Iedere speler heeft periodes van stagnatie of zelfs achteruitgang, lijkt
uitgespeeld. Niet ophouden met spelen is de boodschap.
In de studies mag men ook niet opgeven na minder goede punten of
depressieve momenten. |
| |
b. |
Vertrouwen in het keerpunt: |
| |
|
Het komt voor dat men positioneel of materieel achterstaat. Dan moet men
blijven rekenen op het keerpunt door o.a. een fout van de tegenstander
of een eigen goede zet.
In het leven kan het tij soms ook ineens keren. |
| |
c. |
Geen kleinzieligheid: |
| |
|
Een partij winnen is prettig, maar een partij verliezen kan ook boeiend
zijn. Ridderlijk opgeven is beter dan kleinzielig doorspelen.
Als men in het leven een promotie mist, is het verder zetten van het
vroegere werk even zinvol.
|
III. Toepassingsmogelijkheden van schaken:
1. Reguliere klas: |
| |
a. |
Als lesuur |
| |
b. |
Tijdens de lange middagpauze |
| |
c. |
Buiten schoolverband
|
|
2. Kangoeroeklas: |
| |
- |
Dit is een groep meer- en hoogbegaafde leerlingen die wekelijks een namiddag
schaken. Als lesuur. |
| |
- |
Meer- en hoogbegaafde kinderen hebben soms minder goede attitudes (o.a.
vlug opgeven als het niet onmiddellijk lukt, onnauwkeurig en te snel
werken, zwakke sociale vaardigheden) die dan ia het schaken bijgeschaafd
kunnen worden.
|
|
3. Bij autistische kinderen: |
| |
- |
Autisme is een ontwikkelingsstoornis. Er zijn verschillende vormen van
autisme gaande van extreem druk en ongeremd naar erg teruggetrokken en
in zichzelf gekeerd. Het intelligentieniveau kan ook heel uiteenlopend
zijn. |
| |
- |
Vaak hebben zij problemen met het invullen van hun vrije tijd:
groepsactiviteiten zijn moeilijk door de zwak ontwikkelde sociale
vaardigheden. Meer gerichte en gestructureerde activiteiten sluiten
beter aan. Schaken biedt een aantal voordelen: |
| |
|
- |
Duidelijke structuur door vaste regels; |
| |
|
- |
Geen lichamelijk contact; |
| |
|
- |
Je kan niet vals spelen; |
| |
|
- |
Er is routine in de bewegingen, hetgeen rust brengt.
|
|
4. Kinderen met ADHD: |
| |
Ook in deze groep kinderen zijn er verschillende verschijningsvormen;
meestal gaat het over gebrekkige concentratie, impulsiviteit,
beweeglijkheid.
Voordelen van schaken voor deze kinderen zijn: |
| |
- |
Rustige omgeving: alleen prikkels vanuit het bord, hetgeen de aandacht
kan richten; |
| |
- |
Duidelijke structuur en afspraken.
|
|
5. Visueel gehandicapte kinderen: |
| |
Het sterkste voorbeeld dat blinden ook kunnen leren schaken is Piet
Devos. Een braille leerkracht van het instituut Pottelberg in Kortrijk
gaf met de methode Brunia - van Wijgerden schaakonderricht aan deze
blinde jongen (toen zes jaar). Nadien sloot hij zich aan bij een gewone
schaakclub, nam deel aan toernooien voor zienden en slechtzienden, aan
wereldkampioenschappen.
Slechtzienden en blinden worden tijdens de
partij meestal bijgestaan door een ziende, die evenwel enkel
zetten registreert en ze uitvoert op het grote bord. Soms raadpleegt
de blinde hem ook in verband met de verbruikte tijd. |
| |
- |
De blinde zelf speelt met een apart bord. Dit is meestal een bord van
20 cm x 20 cm (of 36 cm x 36 cm). De zwarte velden staan hoger dan de
witte velden. Het voordeel van zo een klein bord is dat de blinde een
beter overzicht heeft en sneller het hele bord kan afvoelen. |
| |
- |
De schaakstukken: de zwarte stukken hebben bovenaan een ijzeren pinnetje,
waardoor ze te onderscheiden zijn van de witte. De stukken kunnen
vastgezet worden in een gaatje in het veld, waardoor ze niet kunnen
omvallen. |
| |
- |
De schaakklok: er bestaan aangepaste klokken, waarbij via een
koptelefoontje de tijd word meegedeeld, of waar de wijzers voelbaar
zijn (klok zonder glas). |
| |
Het is enorm belangrijk dat de blinde schaker snel de coördinaten leert
gebruiken. Tijdens het spel mag de blinde de stukken van zijn klein
schaakbord onbeperkt aanraken. De touchéregel pas van toepassing wanneer
hij een stuk uit het gaatje heeft gelicht.
Noteren gebeurt op een uitvergroot notatieveld of via een
cassetterecordertje.
|
|
6. Doven en slechthorenden: |
| |
Over deze groep kinderen wordt niet zoveel gesproken of geschreven,
vermoedelijk omdat er meer compensaties via beeld en schrift mogelijk
zijn.
|
Bronnen: |
| - |
M. MERCHIERS: Jeugdschaak 1975 |
| - |
Schaakkrant Apeldoorn nr.4 |
| - |
Kim BOLS: Schaken en visuele handicap |
| - |
NVSG: Nederlandse schaakbond voor visueel gehandicapten. |