Schaken als leermiddel voor kinderen en jeugd.
Werkgroep : Schaakontwikkeling bij kinderen

Cor van Wijgerden
IM en uitgever van de stappenmethode

Iedereen die schaakles gaat geven zou eerst verplicht enkele partijen van beginners moeten bijwonen. Volgen we met de kennersblik van een redelijk schaker een partijtje van twee beginners (die ongeveer een jaar schaken) dan moeten we constateren dat die twee er nog weinig van terecht brengen. We nemen dan de stukken die worden weggegeven en die vervolgens niet geslagen worden als maatstaf. Die twee schakers hoeven niet perse kinderen te zijn, ook bij volwassenen kunnen we dezelfde conclusie trekken: ze kunnen er niet veel van. Dat ligt niet aan de domheid van de proefpersonen maar aan de complexiteit van het schaakspel. Kinderen voelen overigens best goed aan dat schaken een moeilijk spel is. Zij zijn er trots op: "Ik kan schaken!" Je hoort ze nooit zeggen: "Ik kan 'ganzenborden'.

Het schaken van een beginner is een totaal ander spel dan het schaken van een clubspeler. Bij het aanleren van schaken moeten we daarmee rekening houden. Bij dit beginnerspel zijn de regels hetzelfde, de stukken lopen op dezelfde manier en mat beëindigt de partij maar verder vergeten we voorlopig voor het gemak alle overeenkom-sten. Dat komt ons lesgeven alleen maar ten goede.

Inzicht hebben in de schaakontwikkeling van een beginner is een voorwaarde om les te kunnen geven anders praat de lesgever langs de leerling heen. Hoe de schaakontwikkeling bij kinderen (en volwassenen!) verloopt is uiteengezet in de inleidende artikelen van de handleidingen van de Stappenmethode Stap 1 en 2.

In de eerste stappen hebben we alleen te maken met de 'materiaalfase' en de 'ruimtelijke fase'. Die fasen duren lang, veel langer dan we zouden willen. Dat is de reden dat we voor Stap 1 een heel jaar moeten uittrekken. Veel Belgen en nog meer Nederlanders weten het echter beter en beginnen zo snel mogelijk aan de tweede stap.

De praktijk bewijst dat dit meestal de verkeerde aanpak is omdat kinderen heel lang stukken blijven weggeven. Iets officiëler gezegd: De bordvisie van de kinderen blijft veel langer dan nodig onder de maat. We moeten geen nieuwe kennis aanleren voordat de kinderen de basisvaardigheden voldoende onder de knie heb-ben. Ziet een kind niet snel dat een stuk hangt, dan heeft het aanbieden van de dubbele aanval nog weinig zin. Het zal dan zeker niet zien dat er op de volgende zet pas een stuk in gevaar is. De beste manier om de bordvisie bij kinderen te verbeteren is het laten spelen van partijtjes. Het is nuttig om te weten dat elk kind voor elke fase zijn eigen tijd nodig heeft, voor de een betekent dat 300 partijtjes spelen, voor de ander misschien wel 1000 partijtjes.

In deze workshop hebben we ook naar andere (bekende en nieuwe) manieren gekeken om deze bordvisie van beginners te verbeteren. De volgende twee voorbeelden illustreren hoe moeilijk de ruimtelijke werking van stukken voor beginners is. Het eerste voorbeeld is een stap 1 plus opgave. Het tweede voorbeeld moet gemakkelijk door een derde stapper opge-lost kunnen worden. Uit ervaring weten we dat spelers met minder dan 2000 Elo 6 van zulke stellingen niet zonder meer foutloos kunnen oplossen.


De regels:
  - alleen wit speelt
  - de toren moet veilig schaak geven
  - de toren mag dus niet geslagen kunnen worden
  - de toren mag zelf ook niet slaan

Voor de goede orde:
De schaakontwikkeling vanaf de tweede stap is vanzelfsprekend van een andere aard.

Top    overzicht